Dag 1 – 26 juli – Arnhem - Amsterdam - Oporto - Rio de Janeiro.
Van tevoren lijkt alles eng, romantisch, groot, gevaarlijk, onverwachts en onoverzichtelijk. Op het moment dat je in Rio de Janeiro staat is het ook maar gewoon een stad. Een stad met MacDonalds, een stad met historie, een stad met veel lelijke gebouwen, een stad met ontzettend veel arme mensen (die ook maar gewoon mensen zijn), een stad waar normale auto’s ver weg gestopt zijn, een stad waar taxi’s, bussen en cabrio’s de weg vervuilen en een stad waar het vroeg donker wordt…
Dag 1 – 26 juli – van Arnhem naar Amsterdam, van Amsterdam naar Oporto, van Oporto naar Rio de Janeiro
Deze dag was een cadeautje. We hadden vandaag druk kunnen zijn met het inpakken van onze rugzakken, het nogmaals doorlezen van de veiligheidsvoorschriften van een stad als Rio de Janeiro en het bedenken of we dat ene T-shirtje nou wel of niet mee zouden nemen. Dat deden we vandaag niet, dat deden we gisteren. Een fout van onze reisorganisatie bezorgde ons een extra dag vakantie. Een dag waar menig toerist blij mee zou zijn als hij op vakantie zou gaan. Ik niet.
‘Ik wil heel graag jullie foto’s zien, als jullie terug zijn. Als jullie het fototoestel tenminste nog hebben, als jullie terug zijn.’ sprak een tante.
‘Kom heelhuids terug!’ verzocht menig vriend en familielid.
‘Pas goed op elkaar!’ gebood de buurvrouw ons.
‘Waarom gaan jullie eigenlijk naar Brazilië?’ vroeg moederlief een paar dagen van tevoren voorzichtig.
‘In deze riem zit een handig vakje. Daar kun je dollars in bewaren, ziet niemand. Als je dan niets meer hebt, heb je deze dollars in ieder geval nog.’ tipte mijn zus ons terwijl ze al haar handige reisgadgets overhandigde.
‘Ik zag laatst een documentaire…’ begon een collega met z’n verhaal. Stop. Ik wil het verhaal verder niet horen. Ik zie je 4 september weer.
‘Het is echt leuk hier. Natuurlijk blijft het oppassen hier, vooral ´s avonds, maar ondanks dat kan je het hier heel leuk hebben.’ mailde vriendin D. vanuit Rio, op 15 juli.
‘Neem geen risico’s!’ fluisterde moederlief vlak voordat we de vertrek hal in stapten.
Je gaat niet zo maar naar Brazilië. Het is geen Turkije of de Costa Brava. We hebben bewust gekozen voor een land in Zuid-Amerika en hadden ons van tevoren uitgebreid ingelezen in verschillende landen. Een engeltje (of een duiveltje) fluisterde ons allebei regelmatig het woord ‘Brazilië’ in de oren. Hoe vaker we vertelden dat we naar Brazilië zouden gaan, hoe vaker we te horen kregen dat het daar toch wel erg onstuimig kan zijn. Goh! Dat we moeten oppassen, ’s avonds de straat niet op moeten gaan, elkaar in de gaten moeten houden, geen horloge om moeten doen, blingbling-oorbellen thuis zouden moeten laten en vooral niet opvallend foto’s zouden moeten maken met een teletelelens. Dan heb ik ook nog niet eens over de blikken van sommige mensen, deze zijn toch totaal anders dan als je zegt dat je naar een villa met zwembad in Zuid-Frankrijk gaat.
Logisch natuurlijk, maar het zorgt er wel voor dat ik steeds minder zin had in deze reis. Ik probeerde me de afgelopen dagen op te peppen door op de site van ministerie van BuZa te kijken (geen negatief reisadvies), de plaatjes van verschillende bestemmingen af te speuren (hangmatten, palmstranden en inheemse diersoorten compenseren het tegen-een-vakantie-op-zien best wel) en na verloop van tijd wilde ik ook sterker zijn dan dit gevoel:
‘Ik vind het vervelend dat als ik over mijn reis begin vaak te horen krijg dat ik op moet passen, in plaats van dat men mij het gevoel geeft dat ik een geweldige tijd ga hebben.’
Kortom, een extra dag Rio de Janeiro zag ik niet als cadeau, maar als een extra dag survival in de jungle van straatkinderen, overvallers, moordenaars en enge ziektes.
Om 3.45 uur Nederlandse tijd (in Rio: 22.45 uur) werden we vanmorgen opgehaald door mijn ouders. Ik kreeg de afgelopen dagen sterk het gevoel, dat mijn ouders zin hadden om zo min mogelijk over onze reis te praten. Als ze maar weer zo snel mogelijk terug zijn. Terwijl wij ons aan het oppeppen waren voor deze reis, werkte dit niet echt motiverend. In de auto richting het grootste vliegveld van ons land merkte ik aan mezelf dat ik ook alleen maar positieve dingen over het land aan het vertellen was.
‘Pap, de kolibri leeft ook in Brazilië! De grootste vogel daarentegen is zelfs twee meter hoog.’ vertelde ik enthousiast aan mijn vader, een grote vogelliefhebber. ‘Zal ik koffie voor je meenemen, mam?’
Mijn wijze zussen hadden me een aantal maanden geleden al toevertrouwd dat ik de enge verhalen over favela’s en overvallen misschien beter achterwege kon laten waar mijn ouders bij waren. Prima, want daar wilde ik zelf ook zo min mogelijk over praten.
Onze vlucht bestond uit twee delen. Van Amsterdam stapten we in een vliegend busje. Een vliegtuig met niet veel stoelen. Aan merknamen en types doe ik niet, dus dit is geen letterlijke vertaling van ‘Airbus’. We hadden het gezelschap van half Purmerend. Zij hadden blijkbaar niet de tip had gekregen om hun blingbling thuis te laten. Terwijl ik zonder sieraden op stoel 11E zat, zaten de Sherleys en Priscilla’s met zware gouden kettingen achter me, klaar voor ordinaire stranden in Portugal. We stapten in Porto uit (wat vanaf nu als Oporto door het leven gaat voor ons, zo wordt het daar tenslotte ook genoemd).
‘Pfff… wat een lange vlucht.’ Klaagde een tienermoeder die haar ‘Mini-me’ van een paar weken oud meezeulde. Tienermoeder had blijkbaar nog niet door dat buiktruitjes sowieso passé zijn en al helemaal als de sporen van een pasgeborenen nog zichtbaar zijn als buikrol. Ik keek op dat moment van tienermoeder naar ‘Mini-me’ die al zichtbaar bij de familie hoorde door haar gouden oorbellen en vervolgens naar zusterlief van tienermoeder, die in haar glimmende trainingspak de handbagage pakte. Ik dacht alleen maar aan het feit dat wij vervolgens (inclusief overstaptijd) nog zeker elf uur onderweg zouden zijn.
Elf uur hangen, wachten, zitten, plas ophouden, nadenken over wat komen gaat en nogmaals de reisgids doorlezen. Elf uur. Stomme clichés als ‘Je stelt je er op in, dus dan vallen die elf uren vast wel mee’ en ‘De tijd vliegt vast’ schieten dan door je hoofd en spreek je zelfs nog uit ook. Er op ingesteld was ik zeker, maar helpt dat? Ach, er vliegen ook mensen naar Australië. Wat zeur ik?
Bijkomend feit bij alle faveladrama’s van Brazilië was ook nog eens de varkensgriep, Mexicaanse griep, nieuwe griep oftewel ‘influenza A H1N1’, die als een donderwolk boven de gehele wereld hangt. Alles wat op tv is, is natuurlijk maar de vraag of het echt bestaat. Totdat we in Oporto de eerste mondkapjes zagen. Je gaat je allerlei dingen afvragen. Hébben deze mensen een enge ziekte of wíllen ze juist geen enge ziekte? Elke hoest, rochel en nies in het vliegtuig deed mij opschrikken, wat natuurlijk nergens voor nodig is, maar je weet maar nooit.
Na 9,5 uur vliegen bleek dat de eigenaar van het mondkapje niet de enige was die enigszins panisch was over de nieuwe griep. Voorlichters stonden gillend te verkondigen dat we op moesten passen en stonden mondkapjes aan te smeren. Douane door, lang wachten bij de bagage en uiteindelijk stond daar een klein Braziliaantje voor ons klaar om ons enige informatie te verstrekken over de rest van onze reis. We waren erg afhankelijk van deze man; hij had de vouchers, adressen en het telefoonnummer voor onze transfer richting Copacobana.
Rond 18.30 uur konden we voor het eerst de lucht van Rio de Janeiro opsnuiven. Het bleek al donker te zijn. Dat is natuurlijk heel logisch, want het is daar tenslotte winter, maar hoe moet dat dan met eten als je ’s avonds de straat beter niet op kan in Copacobana? Daar had ik nog niet over nagedacht. Tijd om hier lang over na te denken had ik niet. De taxichauffeurs boden ons aan alle kanten aan om ons naar het centrum te brengen. Op dat moment belde ons mannetje met een andere mannetje. Deze andere man kwam binnen afzienbare tijd aanrijden in zijn pooierbak met geblindeerde ramen. ‘Neem geen risicio’s’ had mijn moeder gezegd.' Was dit niet juist een risico? Instappen bij een vage man met geblindeerde pooierbak? Vervolgens werden ook nog de portieren op slot gedaan. Geen weg terug.
‘Ik weet niet of je het door hebt, maar we rijden in Zuid-Amerika, lieve schat.’ zei ik zo nuchter mogelijk tegen vriendlief. Totaal niet beseffend waar we waren, zagen we dat we niet in de enige auto van Rio de Janeiro met geblindeerde ramen reden en al zeker niet de enige auto die als een gek tussen de palmbomen doorschoot. Dan zaten we vast ook niet bij de enige chauffeur die zijn portieren op slot deed. Beelden van car-jackers schoten door mijn hoofd en ik had steeds meer zin in de komende dagen.
Het is nu 20.15 uur. Keurig in onze pyjamaatjes zitten we op ons bed in Rio de Janeiro. In Rio de Janeiro. We gaan slapen. Het is al 3.15 uur voor ons. We zijn al ruim 24 uur wakker.| Permanente link
Dag 2 – 27 juli – Rio de Janeiro
Als je verse ananas
als luxeproduct ziet, voel je je hier erg rijk. Als je niet dol bent op watermeloen in Nederland omdat het zo waterig is, moet je toch eens naar Brazilië. Als je dol bent op (echte)
croissantjes en bruine boterhammen, kun je Brazilië beter overslaan.
Vroeger liep je op vakantie met portemonnees aan een touwtje om je nek. Deze kregen wij met Sinterklaas ook, maar hebben toch de heupportemonnee van zwagerlief in gebruik genomen. Zo’n touwtje wordt namelijk doorgesneden en dan pakken ‘ze’ zo je geld.
Op het moment dat we het hotel uitstapten merkten we al snel wie die ‘ze’ zouden kunnen zijn. Een straatjochie kwam direct naar ons toe en bleef langdurig aan ons vast plakken. Nog geen tien meter gelopen en nu al bijna beroofd!
Twee straten verder stonden we op misschien wel het bekendste strand van de wereld, Copacobana-beach. Het rare is dat
het eigenlijk ook maar een strand is. Met woedende golven en zand zo zacht alszelfrijzend bakmeel. De strings waren ver te zoeken (misschien is dat ook wel het idee van een string) en de carioca’s hadden nog geen puf om op het strand te
liggen. Een vreemd beeld van een strand dat normaal gesproken vol
hoort te zijn.
Rio de Janeiro komt op je af. Als het niet de hardlopers zijn op de boulevard die je van alle kan ten passeren, zijn het wel de taxi’s die werkeloos naar je fluiten of je een lift
wil. Maar het zijn vooral de gebouwen, de lange straten en de tunnels waar je als toerist vooral niet doorheen wilt en moet.
We gaven vandaag onze eerste reais uit aan de bus die ons naar de Pão de Açúcar
(suikerbroodberg) bracht. Een van de vele plekken in Rio de Janeiro die je móét zien. Voor we dit hoogtepunt
bereikten, stopte de kabelbaan (bekend van James Bond en die man met die enge tanden) eerst op een andere berg. Op dit tussenstation hadden we ons eerste junglegevoel en zagen we
apen. Geen grote bonobo’s. Dat ze zo klein waren als eekhoorns zeg ik er niet bij, maar apen zijn apen. Het uitzicht op de
stad zelf was misschien nog wel beter op deze berg, maar het is niet de Suikerbroodberg.
Bovenop de suikerbrood aten we onze krentenbollen van de Albert Heijn
op die nog onderin de rugzak geplet zaten. We waren hier opvallend ontspannen. Het idee dat
‘ze’ hierboven niet konden komen, gaf waarschijnlijk al een geruststellend gevoel. Even alleen met toeristen om ons
heen.
Toen we onze ‘feed back on the ground’ hadden, gingen we op zoek naar een pinautomaat. Waar o waar? In een gebouw met een logo dat verdacht veel op dat van 'onze' ABN-AMRO leek, kregen we te horen dat onze pasjes in dit gebouw niet werkten. Een behulpzame medewerkster vertelde ons dat verderop een pinautomaat zat.
‘At the end of the street
is a very, very, very, very…’ de bankmedewerkster keek ons hulpeloos aan.
‘Big?’ zeiden wij in koor en keken haar vervolgens vragend aan.
‘Sim, very big shopping
mall.’
In dit winkelcentrum vergezelden de plaatselijk gepinde Braziliaanse lappen het geld dat we in Nederland al gehaald hadden. Het vreemde van het muntgeld hier in Brazilië is dat ze niet zo goed weten wat ze willen. Alsof het door verschillende mensen gemaakt is. Je hebt veel verschillende munten. Kleine munten van tien centavos, maar ook grote. Hetzelfde geld voor vijftig cent. Deze heb je in ‘zilver’, maar ook in de koperversie.
Onze eerste dag in Rio de Janeiro hebben we overleefd. Zo voelt het echt. We slenteren hier wat. Het is eigenlijk ook gewoon maar een stad. We hebben dan vanavond ook heerlijk een MacFish (MacPeixe) gehad bij de grote gele M.| Permanente link |
Boek hier de vakantie van uw dromen, altijd met sgr garantie!































Al twee dagen in dit sfeerloze, saaie gedeelte van
het land. We zitten een kilometer vanaf Argentinië en ook Paraguay is op 'loopafstand', voor de rest blijkt deze stad (dit deel van het land ) een toevluchtsoord te zijn voor
arabische zakenmannen. Nog nooit zoveel kebabrestaurants bij elkaar gezien. Met namen zoals 'El Sheik' met een kauwende kameel als logo. Wat doen we hier? Waarom zijn we hier speciaal
naar toe gevlogen? Lekkere ontbijtjes en zon hebben ze ergens anders in Brazilië ook wel.
naar waar we voor kwamen: de immense watervallen. Van verbazing wist ik niet meer of ze nou het grootst, breedst of het hoogst waren,
maar ze bleken het krachtigst te zijn.
en toe stond hij ergens te wachten. Op een
overdreven, opgewekte, Amerikaanse manier vroeg hij telkens hoe het met ons ging. De eerste keer gaven we nog beleefd antwoord en na de veertiende keer lachten we lief. 
Goed inpakken was het devies, want je wordt
zeiknat. 



Halverwege de middag reden we het plaatsje Bonito
in. Van tevoren weet je nooit hoe een stad eruit gaat zien. Hoge gebouwen, kronkelige straten en veel mensen op straat? Bonito was het tegenovergestelde. Rechte wegen. Bonito is in
blokken verdeeld. De hoofdweg is verhard en kijk je op de hoofdweg een zijweg in, dan zie je dat halverwege de weg overgaat i






